|
|
| |
Musica Sacra   
Het Gregoriaans: Wanneer het Westen met een enkel hart zingt
“Laat mijn bidden, Heer, tot U opstijgen als wierook.”
(Getijdenboek, avondgebed vooravond zondag, week 1, psalm 141(140))
Diep en statig weerklinkt de psalmistenstem onder het somber gewelf van de abdijkerk.
Somber omdat het reeds avond is en er van buiten weinig licht meer binnenkomt.
“Heer, ik roep U aan, kom mij toch helpen, luister naar mijn stem als ik U roep.”
Door dezelfde melodie verenigd beantwoorden de dertig stemmen de Latijnse tekst.
Over het hele christelijke westen wordt dit gebed nu bij het laatste daglicht tot God gericht. Uit de harten van duizenden monniken en monialen, van Canterbury tot Rome, van Mont-Saint-Michel tot Salzburg worden dezelfde woorden gezongen in hetzelfde trage en vloeiende ritme van het gregoriaans.
Dit Gregoriaans zal men ook de volgende dag in de liturgie van de zondagsmis horen.
Het is het begin van de XIIe eeuw en het gregoriaans heeft zich reeds lange tijd al opgedrongen als de enige vorm van liturgisch gezang. Deze muziek, die gedurende zeven eeuwen, van de VIIIe tot de XVe eeuw en zelfs later de bovenhand zal hebben, is nochtans niet de oorspronkelijke muziek van de Christelijke liturgie.In de eerste tijden van het Christendom werden de Christelijke gezangen beïnvloed door de Joodse eredienst. Lange tijd hebben de gebaren, de rituelen en het gezang, de vurigheid, de klanken en de kleur van de Hebreeuwse zang en dans behouden. Tussen de lofzangen behoudt het Woord, door het lezen van het evangelie en het zingen van de psalmen, een grote plaats en deze liturgische richtlijn zal door de eeuwen blijven zonder echte veranderingen te ondergaan. De muziek daarentegen zal wijzigen naargelang de tijd, de cultuur en de noden.
Heel in het begin verspreiden de Christelijke gemeenschappen zich rond de middellandse zee. In die tijden is diversiteit, zoniet vrijheid, de regel; op de ene plaats zingt men in het Grieks, ergens anders in het Latijns, en nog verder in het Aramees, de taal van Jezus en zijn leerlingen.Vanuit een gemeenschappelijk geloof in Jezus Christus ontwikkelen zich de riten eigen aan elke Kerk in een grote autonomie, en verschillen steeds meer van elkaar.Door het gebrek aan leidende teksten is de gebedenimprovisatie “de hoofdregel van de liturgie”, terwijl de gezangen, enkel geleid door woorden op niet opgeschreven muziek, de invloed ondergaan van de regionale tradities. Op het territorium van het vroegere Gallië, bvb, psalmodiëren de klerken van de Provençaalse teksten in het Latijn en antwoord de gemeenschap in het Grieks; in Spanje ontstaat de mozarabische ritus. Die altijd in gebruik zal blijven, ondanks de wetten van Rome. Overal blijven de oriëntaalse invloeden zeer sterk.
Muzikaal gezien betekent deze verscheidenheid zeker een opmerkelijke rijkdom, maar de christelijke wereld breidt zich uit, ketterijen ontstaan. Men moet strijden om trouw de boodschap van Christus over te brengen. Mag de uitdrukking van het geloof, zonder het gevaar te lopen te worden veranderd, zulke verschillende vormen aannemen? Dat is de vraag die Paus Gregorius de Grote aan wie men ten onrechte de instelling van het gelijknamige gezang toedicht - zich stelde. Kort na zijn pauselijke troonbestijging, in 590, zal hij bezorgd over eenheid en samenhang, trachten het gezang van de christelijke westelijke liturgie te codificeren.
Gregorius had altijd al interesse voor muziek, hijzelf componeerde menige melodieën bestemd voor de liturgie.
Te Bysantium heeft hij diensten in de Heilige Sofia -kerk kunnen bijwonen en de opmerkbare organisatie van de zeer bekende zangschool ten volle kunnen waarderen. En bij zijn terugkeer uit het Oosten begint hij die ontzaglijke onderneming de gezangen te recapituleren en te herzien om een corpus van liturgische melodieën voor al de feesten van het kerkelijk jaar op te stellen. Zoekend naar eenvoud tracht hij de gezangen waarvan de melismen hem te zinnelijk schijnen, te vermijden, en dat verklaart ook zijn keuze voor de Latijnse geest voor orde en maat. Hij verkiest het repertorium van de kerk van Milaan, omdat die sinds zijn ontstaan bewaard is gebleven (einde 4e eeuw) in de traditie ingevoerd door de Heilige Ambrosius. Het "Ambrosiaanse" gezang, komt in die tijd nog samen voor met het zuid Italiaans " beneventiens", het "Romeins of het "milanees", maar ook met het "hispanisch" of het "gallicaans'. Allemaal tradities die Gregorius min of meer zal doen verdwijnen door een eerste werk op te stellen met 'gregoriaanse' zangen: het Romeins antifonarium.
De kritische tekstuitgave en het "gregoriaanse" in orde brengen van de liturgische gezangen betekenen een mijlpaal, een belangrijke stap in de geschiedenis van de kerkelijke muziek. Nieuwe vieringen, voor de welke het repertorium uitbreidt, verschijnen. De uitvoering zelf verandert; een "schola', gevormd uit de beste zangers en hun leerlingen neemt de plaats in van de solist aan wie tot dan toe sommige gezangen toekwamen.
Gedurende de periode gaande van paus Gregorius tot de troonsbestijging te Saint-Denis van de koning der Franken in 754 heeft de zeer gebrekkige overbrenging van dit patrimonium de inhoud ervan veranderd. Na de troonsbestijging van Pepijn de korte, heeft het "gregoriaans" genoemde gezang niet veel meer gemeen met de hymnen van de eerste Christenen die nog doordrongen waren van hun oorsprong. Op Liturgisch vlak ontstaat zo een breuk tussen het Westen en het Oosten dat meer trouw blijft aan zijn bronnen.
In het cultureel gewemel tijdens de Karolingische Renaissance worden de muzikantenklerken deskundigen die hun praktische kennis in theorie opstellen; de composities worden langzamerhand ingewikkelder en meer versierd.Wanneer men nochtans een gregoriaans manuscript uit de IX de eeuw opent, vindt men er alleen onbruikbare muzikale tekens. De notenbalk als merkteken voor de toonhoogte bestaat nog niet en de aanduidingen zijn ontoereikend voor wie het melodisch verloop van het lied niet van buiten kent. Men kan zich er enkel over verwonderen dat zo’n groot en verscheiden repertorium gedurende meerdere eeuwen enkel mondeling werd overgebracht.
Wie onder ons kent het belang van het ritme van een zin niet, als men haar wil onthouden? De eerste gregoriaanse schriften duiden enkel ritmische waarden aan, die als geheugensteuntjes de van buiten gekende teksten ondersteunen van een lied waarvan de vrije stembuigingen nog zeer dicht bij de declamatie liggen. En zolang het muzieknotatiesysteem geen feit is, zal de zanger het boek enkel gebruiken voor de dienst, om zich de melodie te herinneren.
Weldra, zal het 'Romeins" gezang, “gregoriaans" genoemd, vastgelegd worden door een notenschrift: de neumen die de stembuigingen van de melodie aangeven verschijnen boven de tekst, nog vooral de horizontale lijnen, voorgangers van de notenbalk, toelaten de melodische intervallen aan te geven. De vertolking blijft echter vrij, zij kan zich niet losmaken van een mondelinge overlevering.
De vertolking ... het grootste mysterie van het gregoriaanse gezang. Vooral omdat het gedurende enige eeuwen - van de Renaissance tot de XIX de eeuw - bijna geheel verdween. Vandaag wordt er over die vertolking erg getwist en wordt soms zelf het ontzaglijke “restauratiewerk” van de abdij van Solesme betwist. Het gregoriaans dat sedert Vaticanum II geen eerste plaats in de liturgie meer inneemt, hoewel het concilie op haar waarde gewezen had, wordt vaak onder de noemer van "geestelijke" muziek geplaatst, als historische of esthetische curiositeit.
Om de klank van dit gezang echt als "uitdrukking van het geloof" terug te vinden moet men zich naar het Oosten, haar oorsprong wenden. Daar, aan de andere kant van de middellandse zee, zij het in Libanon, in het zuiden van Turkije, ten noorden van Irak, in Egypte of in Syrië, weergalmen de kerken van de Chaldeeërs, de Armenianen, de Syriakers, de Kopten, de Maronieten nog altijd door de gezangen die sinds hun oorsprong zijn doorgegeven. In hun dichtheid, hun kracht, hun vormruwheid soms, bezingen zij doorheen de tijden de universaliteit van de christelijke boodschap.
Vertaald uit :
Livre des Merveilles
Fleurus-Mame / Plon, Paris, 1999Sources P. Bernard,
Du CHANT ROMAIN AU CHANT GRÉGORIEN, IVe - XIIIe SIÈCLE,
Paris, 1996. Dom D. Saulnier,
LE CHANT GRÉGORIEN, abbaye de Fontevraud, 1996.
Musica Sacra   |
|